De engel zei tegen hen: ‘Wees niet bang, want ik kom jullie goed nieuws brengen dat grote vreugde betekent voor heel het volk: vandaag is in de stad van David jullie redder geboren. Hij is de messias, de Heer. Dit zal voor jullie het teken zijn: jullie zullen een pasgeboren kind vinden dat in doeken gewikkeld in een voederbak ligt. [Lukas 2: 10-12]
Licht liep langs het strand. Het was guur, de golven hoog. Licht had moeite brandende te blijven, in de kou, met de storm. Met zijn vlammetje iets schuin de luwte zoekende vervolgde Licht zijn weg. Op zijn weg was Licht mensen tegengekomen die lijnrecht tegenover elkaar stonden alsof de gure wind tussen hen maar bleef waaien en hen nog meer deed verkillen.
Op zijn weg was Licht groepjes jonge mensen tegengekomen die de dreiging van oorlog en geweld serieus namen en de luwte zochten om er met elkaar over te spreken. Op de pelgrimage was Licht voorbijgegaan aan huizen die eerder zoveel warmte boden, maar nu met een enkel kleed kou en sneeuw moesten tegenhouden. Door oorlog, door geweld. Licht dacht aan die woorden die verteld en doorverteld waren uit Jesaja 2:
Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers en hun speren tot snoeimessen. Geen volk zal meer het zwaard trekken tegen een ander volk, geen mens zal nog de wapens leren hanteren.
Licht begreep dat deze woorden over het niet meer leren van oorlog van de golven waren afgespat die indertijd over Jesaja’s leven golfden. Jesaja’s leven liep nu eenmaal niet 6 7. Licht werd geraakt door die woorden die vanuit Jesaja’s hart maar bleven kloppen:
Was het maar zo. Kan het maar weer zo zijn. Zoals het toch was in alle onschuld. Zoals het was in alle onbevangenheid. Had ik maar een licht om vrede in mijn handen. Ik zou ‘m nooit meer loslaten … Horen jullie dit vanuit deze ellende: ‘Nooit meer zal een volk tegen een ander volk het zwaard trekken, nooit meer zal een mens of een kind leren wat oorlog is.
Woorden die als een kind bonken op ons hart, midden in onze levens? Midden in onze vreugden en verdriet, midden in de taal van dreiging, met het paars-oranje boekje in onze handen. Terwijl Licht blijft kloppen:
Was het maar zo. Kon het maar weer zo zijn. Had ik maar een licht om vrede in mijn handen. Ik zou ‘m nooit meer loslaten … Horen jullie dit vanuit deze ellende: ‘Laat toch nooit meer een volk tegen een ander volk het zwaard trekken, laat toch nooit meer een mens of een kind leren wat oorlog is, laten we toch inzien hoe het land roept, de schepping kermt om mensen te voeden met de vruchten van het veld, met de liefde voor het leven, die vanuit de diepe donkere aarde als een licht naar boven wil komen en blijft groeien! Steeds weer opnieuw.
Zoals het licht van Advent steeds weer opnieuw naar ons toekomt, in welke situatie wij ons ook bevinden. Of we willen of niet, of wij daarvoor gekozen hebben of niet, dat Adventslicht blijft naar ons toekomen op weg naar Kerst. Om ons te laten bezinnen, elkaar te bevragen en samen te blijven duiden waar dat licht om vrede en recht oplicht, gedeeld wordt en geborgen is in de gemeenschap van mensen gevuld met compassie.
Om te gedenken
dat het kind in ons gewekt wil blijven worden,
om geraakt te worden door gerechtigheid, door vrede
en wij op een dag in ons leven,
zodat die ene dag aanbreekt,
niet voorbijgaan aan wat dat kind in zich draagt,
dat kind nu nog in doeken gewikkeld
dat zich wil ontwikkelen,
wij met het kind volwassen leren worden
door het leven uit de doeken te doen
en het volle licht om vrede en recht de golven verlicht.
Licht keek uit naar Kerst. Hij zag voor zich hoe mensen hun weg zochten om tijdens Kerst samen te zijn en met elkaar te horen van een pasgeboren kind, in doeken gewikkeld, liggende in een voederbak.
Licht zag voor zich hoe de meesten dan opgelucht ademhaalden, dat zij zich niet thuis voelden bij de mensen van die herberg die de deur ervan stijf dichttrokken; zij als mens misschien wel menselijker waren in hun hart, maar dat hun functie of positie in de samenleving dat nu eenmaal niet toeliet.
Licht zag hoe de meesten blij waren dat het maar een halve zin was die over die dichte deur ging, als toevoeging overigens van de goede afloop, zodat de pelgrimage van de engelen om vrede in het licht bleef staan.
Licht dacht plots aan die mensen die bij de stijf dichtgetrokken herberg bleven staan, wetten bleven schrijven als legitimatie om die deur vooral dicht te houden en naastenliefde te criminaliseren. Licht vroeg zich af of ze ooit op tijd zouden komen bij de kribbe voordat het Kerst zou zijn.
Licht zag de vreugde van mensen die wisten te knielen, die zich dienstbaar maakten aan alle kwetsbaarheid. Alleen zo konden zij de neergedaalde woorden van vrede en recht zien in het kind liggende in de kribbe in doeken gewikkeld. Licht wenste hen allemaal toe, dat wanneer ze weer zouden opstaan, ze de doeken wisten te ontwikkelen. Dit om de betekenis van vrede en recht, als teken van Gods Koninkrijk, te zien oplichten voor hun leven!
Licht bleef stilstaan bij een duinpan met uitzicht over de zee. Prachtig zoals het licht weerkaatste op en door de golven. Licht dacht aan de golven in mensenlevens. Zouden zij in de kou door oorlog en geweld een teken van warmte ontvangen, al was het maar een comforter? Zouden zij, ontredderd door ontmenselijkende systemen een teken van waardigheid ontvangen? Dat wanneer ook op die intens gebroken golven Gods Licht blijft schijnen?
Licht liep langs het strand, ontroerd door een zee vol licht.
Dat licht, dat schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen.
Tekst: Margarithe Veen
Beeld: Jon Carlson